Janus
de afloop (uit elk beeld hangt een draadje te bengelen)
van het geheugen staat er op om af te lopen, het geluid
wil als het windeltje fijngazig verband om & om
het vingertje van de juf in mij, die daar, die venter
met het hoepelrokje, ze
neigt nogal naar wijzen op
geritsel in de kinderhoofden
& kras kras draait een stel tandwieltjes
het affe af op de glasplaat
het willen, de gespierde hoop
& andere wedstrijden van publiek spreken
verdringen zich in handenwringende koppeltjes
aan de randen van de tekstgleuf